Proza

Onderstaand verhaal (‘Heem’) komt uit de verhalenbundel:

“Vruier woar alles besser … – … en anger luëjens.”

van Kerkradenaar Frans Haselier.
Uitgave: Drukkerij Deurenberg, Kerkrade, ISBN 90 70246 48 1

De titel van de bundel is vrij vertaald: “Vroeger was alles beter… – … en andere leugens.”

Het verhaal ‘HEEM’ gaat over de Koestraat in Kerkrade waar Frans Haselier heeft gewoond en waar ook ik mijn vroege jeugd (tot ca.12 jaar) heb doorgebracht. Hetgeen voor mij de aanleiding was om dit verhaal te kiezen.  

Het verhaal speelt zich af net na de 2e wereldoorlog.

De vertaling heb ik zo letterlijk mogelijk gehouden om de overeenkomst met de oorspronkelijke woorden ook zo groot mogelijk te houden. Daardoor werd de Nederlandse vertaling noodgedwongen wat gekunsteld. Wanneer de letterlijke vertaling teveel afwijkt van de Nederlandse vertaling heb ik tussen haakjes […] de letterlijke vertaling gegeven of een wat gangbaardere vertaling.

Klik hieronder om de gesproken Kerkraadse versie te beluisteren.

De NL vertaling

THUIS

Terug in de Koestraat. Het huis was bijna nieuw maar voelde toch oud en vertrouwd aan. Je kon er in wonen als in een oude winterjas. Alle deuren en ramen waren nieuw en daardoor niet meer groen. Eerlijk gezegd miste ik dat een beetje. Buiten had wél alles die kleur. Bij ons frisse verf, maar in de rest van de straat was die er bijna helemaal af gebladderd omdat er natuurlijk vier jaar niks aan gedaan was. De straat zag er armzalig uit en dat kwam ook omdat overal gaten in het asfalt zaten en plassen water bleven staan als het even regende. Maar verder was alles bijna zoals voorheen, gezellig. Het licht mocht weer naar buiten schijnen als het donker was en de lantaarnpalen brandden ook weer. Dat is [heet] de peren erin brandden, niet de palen zelf.

Met de verkenners waren we verkast van kasteel Ehrenstein naar de houten barakken van de gaarkeuken in de Kapellaan. Een slechte ruil, want daar werden voortdurend [elk moment] met stenen de ruiten ingegooid omdat we op de Hitlerjugend leken. Ze wierpen ook brieven naar binnen waarin stond dat we klappen zouden kregen als we ons in uniform op straat lieten zien. Kinderachtig, maar we waren genoodzaakt [gedwongen] alle vergaderingen overdag te houden, omdat we ’s avonds als er weinig mensen onderweg waren, bang [strang = angst] waren over straat te lopen. Maar ook dat werd op den duur minder [ging liggen].

Ik ben toen ook een paar maanden van dat gehannes met die pompbroek af geweest, want ik kreeg een lange broek: mijn eerste. Die hoorde bij een kostuum en kwam van de “Stichting Mijnwerkers Voorziening”. Dat was een stichting die was opgericht om de mijnwerkers op de mijn te houden omdat men de kolen hard nodig had. Ze kregen extra bonnen waar men van alles mee kon krijgen [waarmee van alles te koop was] waar andere mensen niet aan konden komen. Dat kostuum was eigenlijk een of ander uniform uit Canada. Ik denk wel van een boswachter, want het was groen. Het stond dan ook goed bij een jongen uit de kolonie [een woonkolonie]. Als ik daarmee voor onze groene voordeur ging staan, zag niemand me.

Het leven ging verder: de bibliotheek ging open, de tram reed en ik kon afstuderen op de Ambachtschool. Jammer dat ze daar niet het vak ‘behang verwijderen’ en ‘gaten vullen’ gaven, want daar had ik vast en zeker een negen voor gekregen. In de tram werd ik door de knulletjes van de H.B.S., die zich beter voelden dan ons Ambachtschool-jongens, een beetje belachelijk gemaakt met mijn grasgroene kostuum. Maar dat kon me helemaal niks schelen want ze waren jaloers dat ik een rubberen [joemmie = rubber. bandjoemmie?] aktemap had en zij een van karton waarmee ze niet mee in de regen durfden te lopen. En wat heel belangrijk was: ik kon plotseling goed leren! Of dat kwam doordat ik een jaar ouder was geworden? Het kon ook zijn dat ik nu uitgeslapen op school kwam. Hoe en wat het dan ook kon zijn, de dingen waar ik tot dan toe [voorheen] niks van kon maken [sjlauw = slim], snapte ik nu. Ik ging met plezier [vreugde] naar school en liet me door die bangerikken van de H.B.S. niet m’n plezier bederven.

We kregen nu ook weer een krantje. Maar zo klein die ook was, het stond vol met ellende en toen ik over de atoombom las gingen m’n haren recht overeind staan. Die bom moest een einde aan alle oorlog maken maar ik voelde met m’n klompen aan dat dit het begin van andere ellende werd.

We kregen op school nu ook zoiets als ‘Maatschappijleer’. Dat moesten we leren uit boekjes van vijftig bladzijden. Daaraan kon je zien [gewaar worden] dat men van de hele ‘maatschappij’ ging hoge hoed op had. Wij keken uit [waren gespannen] naar het hoofdstuk, van anderhalve bladzijde, over ‘de omgang tussen jongens en meisjes’. Daar wist ik niks vanaf want ik was pas op één meisjes gek geweest [verliefd], maar die viel [hauw sjpas: had plezier] op mijn vriend. Het duurde een hele tijd voordat we aan dat hoofdstuk toe kwamen, want die les werd steeds een week uitgesteld [verlaat]. Toen het zover was, heette het ‘sexuele voorlichting’. Daar hadden ze een hele namiddag voor uitgetrokken. Eerst kwam een kapelaan ons vertellen waarom we het niet mochten doen, toen een dokter hoe we het niet moesten doen en toen een politieagent waar we het niet mochten doen. We hebben ons naderhand doodgelachen toen we elkaar vertelden wat we niet mochten doen. Maar door die onzin hadden ze ons op iets geattendeerd en loerde de hele klas -zeven man- naar de ene meisje dat elke dag op dezelfde tijd langs liep. Niet minnetjes [versnipperd], met veel grote borsten [hout voor de deur]. Het schooljaar was zo’n beetje omgevlogen en we hadden onze diploma’s gekregen. We zouden dat met een man of vier gaan vieren.
Maar na drie biertjes die ons niet smaakten en een sigaartje waarmee we ons de sterren voor de ogen hoesten, waren we het feest al moe en gingen terug naar school in de hoop onze vriendin, met wie we nog nooit hadden gepraat, afscheid te nemen [adieë tse zage: tot ziens te zeggen]. Ze kwam langs, keek ons niet eens aan en wij jong broekies durfden niks te zeggen. Maar ze heeft beslist onze blikken in haar rug gevoeld, want ze draaide nog eens extra met haar kont. Een van ons zei: “Die is al rijp.” Waarbij een ander kwaad zei: “Rijp, rijp, je bent rijp voor Venray” [daar was destijds een inrichting voor psychisch gehandicapten].
Maar hoe dan ook, we voelden aan dat we onze kindertijd achter ons hadden en als we ergens rijp voor waren, dan was het voor een leven lang werken.
Maandag beginnen.

De originele Kerkraadse tekst

HEEM

Tseruk in d’r Kouwsjtats. ’t Hoes woar bauw nui mar vólt ziech doch aod en vertrouwd aa. Me koeët dri woeëne wie in inne werme winkterjas. Alle dure en vinsterrame woare nui en drum niet mieë jreun. Ierlieg jezaad misset iech dat e bis-je. Boese hauw waal alles die kluur. Bij ós de verf vrisj, mar bij de res van de sjtroas woar ze bauw jans der vanaaf jeblaard wail me ja veer joar nuus mieë draa jedoa hauw. De sjtroas zoog ermzieëlieg oes en dat koam óch wail uvveral löcher in d’r makkedam woare en peul wasser blove sjtoa went ’t effe reënet. Mar wieër woar alles bauw wie vuurheer, jemuutlieg. ’t Lit dórf werm noa boese sjienge went ’t duuster woar en de lampepöal branke óch werm. Dat heesjt de biere drin, nit de pöal zelver.

Mit de verkenners woare vier umjetrókke va kastieël Eresjting noa de hootsere barakke van de jaarkuche in de Kapellaan. Inne sjleëte toesj den doa kroge vier allemomang mit sjting de roete i-jewórpe wail vier óp de Hitlerjugend liechete. Ze wórpe och brivve i woa-i sjtong dat vier sjleëg kreuge went vier ós i oenniform óp d’r wèg leuze blikke. Kingesj, mar vier woare waat jetswónge alle verzammeloenge uvverdaag tse haode, wail vier ’s aovends went wennieg lü óngerweëgs woare, sjtrank hauwe um uvver sjtroas tse lofe. Mar óch dat laat ziech óp d’r doer.

 

Iech bin doe óch e paar mond van dat jehoddels mit die pómpbóks aafjeweë, den iech hauw ing lang bóks krèje: mieng ieësjte. Ze jehoeët bij inne janse antsóg en koam van de “Stichting Mijnwerkers Voorziening.” Dat woar ing stichting die ze jesjtiefd hauwe um de berglü mar óp de koel tse haode wail ze de koale hoeëgnüedieg hauwe. Ze kroge ekstra bongs woa me van alles óp koeët krieje woa anger lü nit aa koeëte kómme. Deë antsóch woar ejentlieg ee of anger oenniform oes Canada. Iech denk wal van inne busjwechter, den ’t woar jreun. ’t Passet dan óch jód bij inne kolleniets-jong. Went iech miech doamit tjeën ós jreun vuurduur sjtalt, zoog miech jenne.

’t Leëve jong wieër: de bieb jong óp, de tram voor en iech koeët aafstoeddere óp de ambachsjoeël. Sjaad dat ze doa niet ’t fach tapieët-aafdoeë en löcher-völle jove, den doa hauw iech vas en zicher ing nüng vuur krèje. In de tram woeët iech durch de jungs-jere van de H.B.S., die ziech besser vólte wie ós ambachsjoeëljonge, e bis-je lechlieg jemaad mi mienne jraasjreune antsóg. Mar dat woar miech pratsj ejaal den die woare aiferzüchtieg dat iech ing bandjoemmie aktemap hauw en zie mar ing va pappedekkel woa ze nit mit in d’r reën dosje lofe. En wat zier wiechtieg woar, iech koeët plötslieg jód liere. Of dat koam wail iech e joar auwer woar woeëde? ’t Koeët óch zieë dat iech noen oes-jesjloffe óp sjoeël koam. Wie en wat ’t dan óch hat kanne zieë, de dinger woa iech vuurhins jinne sjlauw oes kroog, sjnappet iech noen. Iech jong mit vräud noa jen sjloeël en loos miech durch die H.B.S.-bókseböam de sjpas nit verderve.

 

Vier kroge óch werm e tsiedunks-je. Mar zoeë kling wie ’t óch woar, ’t sjtong vol mit ieëlend en wie iech uvver de atoombom leëzet, jónge miech de hoare reët-op sjtoa. Die bom moeët e eng an alle krig maache. Mar iech vólt mit de klómpe aa dat ’t d’r bejin van anger ieëlend woeët.

 

Vier kroge óp sjoeël noen óch zoe”jet wie maatschappijleer. Dat moeëte vierliere oes e buchs-je va vóftsieg blaar. Doa-aa koeët me jewaar weëde dat me van die janse maatschappij jinne hoeëge hód óphauw. Vier woare jesjpanne noa ’t kapiettel, van angerhaof bladzie, uvver de Doa wós iech nuus vanaaf den iech woar i mie kót leëve mar óp ee meëdje jek jeweë, mar dat hauw sjpas an mienne vrunk. ’t Doeret ing janse tsiet ier vier an dat kapiettel tsouw woare, den die les woeët ummer ing wèch verlaad. Wie ’t zoeë wied woar, heesjet ’t sexuele voorlichting. Doa hauwe ze inne janse nommedaag vuur oes-jetrókke. Ieësj koam inne kaploan ós vertselle woarum vier ’t nit dórve doeë, doe inne dokter wie vier ’t nit moeëte doeë en doe inne polies woa vier ’t nit dórve doeë. Vier hant ós noaderhank kapot jelaachd wie vier ós óngeree vertsellete wat vier nit dórve doeë. Mar durch deë breuzel hauwe ze ós óp jet attent jemaad en sjpienset de janse klas -zivve man- noa dat ee meëdje dat jidder daag um dezelfde tsiet langs koam. Jee versjnieppeld, mit vöal hoots vuur de duur. ’t Sjoeëljoar woar zoeë bis-je umjevloage en vier hauwe ós diploma krèje. Vier zouwe dat mit inne man of veer viere joa.
Mar noa drei beer, die ós nit sjmaachete en e tsiejeersje woa vier ós de sjtere va vuur de oge hóstete, woare vier ’t fes al mui en jónge tseruk óp sjoeël aa in de hofnoeng ós aller vrundin, woa vier nog nie nit jekald hauwe, adieë tse zage. Dat koam langs ós, keek ós nog nit ins aa en vier sjneuzele dósje nuus tse zage. Mar ’t hat besjtimd ós blikke in d’r ruk jevóld, den ’t drieënet nog ins ekstra mit de vót. Inne van ós zaat: “Dat is al rief.” Woa inne angere wus dróp zaat: “Rief, rief, die bis rief vuur noa Venray.”
Mar wie ’t óch woar, vier vólte aa dat vier ós kingertsiet hinger ós hauwe en went vier urjens rief vuur woare, da woar ’t vuur e leëve lank wirke.
Mondieg bejinne.